
Met Kasper Demeulemeester en Jakob Van den Broucke zijn we toegekomen aan de laatste aflevering van de interviewreeks Makers van de expo. Net als bij Gestalte gaat het om een dubbelgesprek, maar inhoudelijk zijn Demeulemeester en Van den Broucke toch wat the odd one out. Zij zijn de enige kunstenaars die aan Hier wil ik wonen! Coöperatief woondromen in Vlaanderen meewerkten, en hun bijdrage is ook het enige expliciete kunstwerk op de tentoonstelling. Waar de andere makers scenografie, grafiek, illustratie of maquettes realiseerden, brachten zij een autonoom artistiek onderzoek binnen, dat zich afspeelt in en rond Moortebeek, een minder bekende Brusselse tuinwijk uit de jaren twintig van vorige eeuw.
Moortebeek is geen iconische tuinwijk zoals Le Logis-Floréal of La Cité Moderne. De architectuur is bescheiden, het erfgoed niet-beschermd, het archief fragmentarisch.Van deze vaststelling, namelijk dat er nauwelijks bronnen zijn om het verhaal van de wijk te reconstrueren, maakten Jakob en Kasper hun vertrekpunt. Eén document bleef wél bewaard: een welkomstbrochure uit de jaren 1920, waarin bewoners minutieus werd uitgelegd hoe ze hun huis, tuin, hagen en zelfs kippen moesten onderhouden. Voor de expo transformeerden de kunstenaars dit normatieve document tot een gelaagde installatie — waarover straks meer. Eerst moeten we terug naar het begin: naar hoe Moortebeek in hun praktijk terechtkwam, en hoe een persoonlijke verhuis uitgroeide tot een meerjarig artistiek onderzoek.
Van verhuis naar verkenning
Voor Kasper Demeulemeester begon het verhaal van Moortebeek met een verhuis. Eind 2020 trok hij naar een huis in de buurt van de tuinwijk, in een periode waarin veel zekerheden tegelijk verschoven. Ook zijn eigen praktijk bevond zich op een kantelpunt. “Ik had beslist om begin 2021 met pensioen te gaan als kunstenaar,” zegt hij. De context waarin hij was terechtgekomen was voor Kasper – mede door de pandemie – aanvankelijk verrassend ongrijpbaar. “Ik wist eigenlijk niet waar ik was beland.” Wat volgde, waren wandelingen door de wijk. Straten werden verkend, gesprekken met buren ontstonden, indrukken werden genoteerd. Zonder vooropgezet doel begon zich zo een verzameling observaties af te tekenen. In die losse aantekeningen en ontmoetingen lag het begin van een inventaris besloten — een eerste aandachtige lezing van het dagelijkse leven in Moortebeek.
Die persoonlijke verkenning kreeg een nieuwe wending toen Demeulemeester door MUS-E Belgium, een Brusselse organisatie waarmee hij eerder al had samengewerkt, werd gevraagd om een artistiek traject op te zetten. “Ik zei eerst nee,” vertelt hij. “Ik was met pensioen en wilde geen nieuw project beginnen.” Pas toen duidelijk werd dat het om Moortebeek ging, de wijk waar hij net was komen wonen, viel alles samen. Het traject dat volgde, bouwde voort op zijn wandelingen, maar kreeg een collectieve dimensie. Samen met kinderen uit de buurt verkende hij de wijk verder en begon hij materiaal te verzamelen. Gesprekken, tekeningen en observaties groeiden uit tot een gedeelde inventaris. “Mijn idee was om, honderd jaar later, een stand van zaken op te maken,” zegt hij, als momentopname van wat er vandaag nog leeft van het oorspronkelijke tuinwijkideaal.


Een samenwerking krijgt vorm
Na afloop van het eerste traject rond Moortebeek besefte Demeulemeester dat het project om een vervolg vroeg. De inventaris was opgebouwd en het werk met de kinderen afgerond, maar veel vragen bleven open. “Ik voelde dat ik er niet klaar mee was,” zegt hij. Tegelijk wilde hij het onderzoek niet opnieuw alleen verderzetten. Op dat moment besloot hij Jakob Van den Broucke te betrekken, met wie hij al eerder had samengewerkt. Die stap markeerde het begin van een gedeeld onderzoek. “Vanaf dat moment werd Moortebeek niet alleen een plek om te bestuderen, maar ook een gezamenlijk denkveld, waarin verschillende perspectieven naast elkaar konden bestaan.”
Voor Jakob begon het traject vanuit een heel andere positie. Hij stond op afstand van de wijk, zowel geografisch als biografisch, en kende Moortebeek enkel via het materiaal dat Kasper had verzameld. Dat archief vormde zijn eerste toegang. “Mijn eerste vraag was hoe ik, vanop afstand, kon werken rond een context waar ik niets van afwist,” zegt hij. In plaats van zich meteen op de anekdotiek van de wijk te storten, zocht Jakob naar een kader om met dat materiaal om te gaan. Vanuit zijn achtergrond in de sociologie probeerde hij orde te brengen in de fragmenten. Het archief werd zo een speelveld: een verzameling documenten, beelden en stemmen waarmee nieuwe verbanden konden worden gelegd.
Fictie als methode
Omdat het materiaal over Moortebeek fragmentarisch was en geen sluitend beeld van de wijk toeliet, werd fictie een noodzakelijk instrument. “Het verhaal was belangrijker dan de feiten,” zegt Demeulemeester. Niet om de werkelijkheid te verdraaien, maar om haar leesbaar te maken. Die houding kreeg vorm binnen het kader van Tijdelijk Informatie Centrum, een structuur die Demeulemeester en Van den Broucke al eerder hadden ontwikkeld. Binnen die constructie konden documenten, observaties en gesprekken vrij circuleren. Personages werden geen individuele figuren meer, maar ‘entiteiten’: buurtbewoners, archieven, instellingen of zelfs de wijk zelf. Door die abstractie werd het mogelijk om verschillende stemmen en perspectieven samen te brengen in één narratief veld, zonder ze vast te pinnen op één waarheid of één auteurschap.
Die manier van werken vond haar eerste duidelijke neerslag in de publicatie how now. De uitgave bestaat uit losse delen en brengt uiteenlopende materialen samen: tekeningen, foto’s, schema’s, teksten en fragmenten uit gesprekken. “We zijn het beginnen zien als een periodiek,” zegt Van den Broucke, “een manier om verslag uit te brengen van wat er in Tijdelijk Informatie Centrum, afdeling Moortebeek gebeurt.” Die fragmentarische opbouw werd later ruimtelijk doorgetrokken in de tentoonstelling Terminus Moortebeek, waarin het werk zich manifesteerde als een assemblage van beelden, objecten en documenten. Assemblage werd daarbij geen vormkeuze, maar een inhoudelijk principe: elementen blijven zichtbaar als onderdelen van een groter geheel, zonder te versmelten tot één sluitend verhaal.


Van archief naar installatie
Tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling Hier wil ik wonen! kwam het werk van Demeulemeester en Van den Broucke rond Moortebeek onder de aandacht van Architectuurwijzer. Dat gebeurde via architect en scenograaf Joris Kerremans, die hun traject al langer volgde en de link legde met de tentoonstelling over coöperatief wonen. Voor hun bijdrage keerden de kunstenaars terug naar één specifiek document: de welkomstbrochure die nieuwe bewoners van Moortebeek in de jaren 1920 mee kregen. Het boekje beschrijft tot in detail hoe men moest wonen in de tuinwijk — van het onderhoud van de woning tot het snoeien van hagen en het houden van kippen. “Dat document fascineerde ons enorm,” zegt Van den Broucke. “Je voelt hoe sterk het dagelijks leven er geregisseerd werd.”
Voor de tentoonstelling transformeerden Demeulemeester en Van den Broucke de welkomstbrochure tot een ruimtelijke installatie. De originele tekst werd aangevuld met annotaties, marginalia en actualisaties, gevoed door gesprekken met bewoners en hun jarenlange onderzoek in de wijk. Oude foto’s werden vervangen door hedendaagse beelden, genomen op dezelfde plekken, zodat verleden en heden letterlijk over elkaar heen schuiven. De presentatie verwijst naar de kleine tuinhuizen in Moortebeek, vaak gebouwd op de perceelsgrens en gedeeld door buren: compacte structuren die collectief gebruik verbeelden, maar tegelijk individuele grenzen tonen. “Die tuinhuizen en kippenhokken zijn voor ons een soort miniatuurversie van de tuinwijk,” zegt Demeulemeester. “Je ziet er hoe collectief wonen altijd balanceert tussen samen en apart.”
Een blijvende oefening
Moortebeek toont voor Jakob en Kasper dat alternatieven voor het dominante marktdenken wel degelijk bestaan, maar nooit vanzelfsprekend zijn. “Er wordt ons vaak voorgehouden dat er geen alternatief is: je moet kopen of huren, en de vastgoedmarkt bepaalt hoe we wonen,” zegt Demeulemeester. “Maar dat is geen waarheid, dat is een ideologisch argument.” De korte maar intense bloeiperiode van de tuinwijken bewijst volgens hem dat andere parameters mogelijk zijn, zolang ze gedragen worden door collectieve afspraken en engagement. Tegelijk verdwijnt in Moortebeek elke vorm van utopie zodra ze botst op het dagelijkse leven: onderhoud, conflicten, zorg en arbeid. “Net die frictie maakt het model interessant, niet als blauwdruk, maar als langdurige oefening.”
Die oefening speelt zich af op het snijvlak van individu en collectief, niet als tegenstelling, maar als voortdurende onderhandeling. Van den Broucke ziet daarin een van de meest confronterende aspecten van coöperatief wonen. “Het idee dat je een volledig autonoom individu kan zijn, los van alles en iedereen, klopt niet,” zegt hij. “Je identiteit ontstaat altijd in relatie tot iets dat groter is dan jezelf.” In Moortebeek wordt die afhankelijkheid tastbaar, soms ook ongemakkelijk, wanneer persoonlijke verlangens botsen met gedeelde regels of verwachtingen. Toch schuilt daar volgens de kunstenaars geen verlies, maar een mogelijke verrijking. Samenleven vraagt geen heldendom, wel bereidheid om telkens opnieuw af te stemmen. Of zoals Demeulemeester het samenvat: “Collectief wonen is geen eindpunt. Het is iets dat je blijft doen, elke dag opnieuw.”
Beelden: Kasper Demeulemeester & Kasper Van den Brouck
Tekst: Bertrand Lafontaine
