Nederlandse overheid richt structureel Fonds Coöperatief Wonen op


Met het Fonds Coöperatief Wonen zet de Nederlandse overheid een concrete stap om wooncoöperaties eindelijk toegang te geven tot structurele financiering. Het fonds wordt opgezet door het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) en moet uiterlijk eind 2026 operationeel zijn. Coöperatieve wooninitiatieven kunnen er dan terecht voor leningen vanaf de planfase. Daarmee wordt een cruciale drempel weggenomen: net die vroege fase waarin banken doorgaans afhaken, maar waarin beslissingen over haalbaarheid, organisatie en ontwerp worden genomen — een knelpunt dat ook voor wooncoöperaties in België bijzonder herkenbaar is.

De Nederlandse Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Mona Keijzer koppelt het fonds expliciet aan een bredere visie op coöperatief wonen als volwaardig alternatief op de woningmarkt. In haar woorden bieden wooncoöperaties mensen de kans “om samen met andere bewoners een gemeenschappelijke woonwens te realiseren”, waarbij betaalbaarheid, betrokkenheid en zorg voor elkaar samenkomen. Die maatschappelijke meerwaarde is volgens de minister precies de reden om belemmeringen weg te nemen en coöperatief wonen niet langer als niche, maar als structurele derde sector te behandelen.

Van planfase tot bouw: hoe het fonds werkt

Voor de oprichting van het fonds is in oktober 2025 € 60,6 miljoen toegekend aan SVn, via een subsidietender. Het fonds richt zich op projecten van ongeveer 12 tot 100 woningen, met een duidelijke focus op betaalbare huur- en koopwoningen voor middeninkomens tot twee keer modaal. Initiatieven moeten beschikken over een locatie en instemming van de gemeente, en een eigen inbreng van minstens vijf procent is verplicht. Voor huurprojecten kan het fonds niet alleen de plan- en ontwikkelfase, maar ook de bouw financieren, wat het mogelijk maakt om nieuwe zogenaamde ‘middenhuurwoningen’ buiten de klassieke ontwikkelaarslogica te realiseren.

De middelen zijn bewust revolverend opgezet: terugbetalingen en solidariteitsbijdragen van gerealiseerde projecten vloeien terug naar het fonds, zodat het ook op langere termijn inzetbaar blijft. In samenwerking met banken – met name de Rabobank – wordt bovendien een hefboom gecreëerd die volgens het ministerie kan leiden tot de realisatie van ongeveer duizend betaalbare huurwoningen in wooncoöperaties. Door duidelijke procedures en een brede definitie van coöperatief wonen pakt het fonds tegelijk meerdere financiële knelpunten aan die door de sector al langer worden gesignaleerd.

Meer dan geld alleen: locaties en gemeentelijke steun

Financiering is echter slechts één kant van het verhaal. In de Kamerbrief benadrukt de minister dat het gebrek aan geschikte locaties minstens even problematisch is voor coöperatieve initiatieven. Gemeenten spelen daarin een sleutelrol, onder meer door in omgevingsplannen expliciet ruimte te reserveren voor coöperatief wonen en dit te verankeren in hun woonbeleid. Door coöperatieve projecten al in een vroeg stadium mee te nemen in gebiedsontwikkelingen, kunnen zij bovendien de slaagkansen van deze initiatieven aanzienlijk vergroten.

Om die lokale rol te versterken, wordt ingezet op ondersteuning en kennisdeling. Nederlandse platformen en organisaties zoals Cooplink, Platform31, RVO en Crowdbuilding krijgen een expliciete plek in de aanpak. Crowdbuilding richt een financieringsloket op dat initiatieven helpt om hun weg te vinden naar het fonds en andere financiers. Tegelijk worden gemeenten ondersteund met handreikingen, opleidingen en uitwisseling van best practices, onder meer gebaseerd op ervaringen uit Amsterdamse wooncoöperaties.

Van experiment naar beleid

Het Fonds Coöperatief Wonen markeert zo een verschuiving van losse experimenten naar een samenhangend beleidskader. Door financiering, locaties en ondersteuning in samenhang aan te pakken, probeert het ministerie de structurele voorwaarden te scheppen waaronder wooncoöperaties kunnen opschalen. Niet als uitzonderingsmodel, maar als een blijvend onderdeel van de Nederlandse volkshuisvesting, waarin betaalbaarheid en collectief eigenaarschap hand in hand gaan.

Voor België en Vlaanderen biedt deze Nederlandse aanpak een helder referentiepunt. Ook hier botsen wooncoöperaties op problemen rond financiering, onzekerheid in de ontwikkelfase en een versnipperd beleidskader. De keuze om die drempels integraal aan te pakken en coöperatief wonen expliciet als structureel alternatief te erkennen, roept de vraag op welke rol de Vlaamse overheid hierin wil opnemen. Een vergelijkbaar fonds zou ook hier het verschil kunnen maken tussen geïsoleerde pioniersprojecten en een volwaardige, schaalbare coöperatieve woonsector.

Bron Rijksoverheid.nl
Foto De Warren, Amsterdam © Jeroen Musch