Coöperatief wonen krijgt centrale plek in ambitienota Vlaams Bouwmeester


Op dinsdag 28 april 2026 stelde Vlaams Bouwmeester Véronique Claessens in het Atelier Bouwmeester in de Brusselse Ravensteingalerij haar ambitienota Publiek Project voor. De presentatie lokte een ruime opkomst van ontwerpers, beleidsmakers en andere actoren uit het ruimtelijke veld. De nota zet sterk in op “uitvoering en verbinding”, met drie grote speerpunten: betaalbaar wonen, inclusieve publieke ruimte en verantwoord ontwerpen. Binnen dat eerste luik neemt ook coöperatief wonen een opvallende plaats in. Claessens schuift het model naar voren als een mogelijke hefboom voor structureel betaalbaar wonen en kondigt meteen ook pilootprojecten aan.

Binnen het hoofdstuk over betaalbaar en kwaliteitsvol wonen benadrukt Véronique Claessens dat de wooncrisis niet kan worden opgelost vanuit één discipline of beleidsniveau. “Wie betaalbaar wonen ernstig wil nemen, moet de problematiek integraal en systemisch benaderen”, schrijft ze in de nota. Daarom wil ze onderzoek voeren naar “alternatieve modellen voor eigendom, ontwikkeling, productie en beheer, zoals wooncoöperaties, de scheiding van grond en gebouw via erfpacht of opstal, community land trusts, collectieve wijkgerichte renovatieprogramma’s, publiek-private ontwikkelingsmodellen met sociale quota en rollende fondsen”. Volgens Claessens openen die modellen “perspectieven op structurele betaalbaarheid” en maken ze de woonopgave “efficiënter en socialer”.

Pilootprojecten rond wonen aan kostprijs

Claessens wil die ambities niet beperken tot onderzoek alleen, maar ook concreet toetsen op het terrein. Daarom kondigt ze “Pilootprojecten op rond coöperatief bouwen en wonen” aan. Via een gerichte oproep wil ze op zoek gaan naar “ambitieuze opdrachtgevers die grond ter beschikking stellen voor de ontwikkeling van een wooncoöperatie”. Daarmee positioneert ze coöperatief wonen nadrukkelijk als een praktijkgerichte oefening binnen haar mandaat. De nadruk op uitvoering en concrete projecten loopt trouwens als een rode draad doorheen de volledige ambitienota.

In de nota omschrijft Claessens het coöperatieve model als “een fundamenteel ander perspectief op wonen: niet als verdienmodel, maar als maatschappelijke verantwoordelijkheid en recht”. Ze wijst erop dat bewoners er “aan kostprijs” wonen en tegelijk mede-eigenaars zijn, terwijl “de meerwaarde binnen het project blijft” en de grond collectief eigendom blijft. Volgens haar maakt dat het bovendien eenvoudiger om de ruimtelijke kwaliteit van projecten te sturen. Daarmee koppelt ze het debat over betaalbaarheid expliciet aan collectief eigenaarschap, sociale meerwaarde en ruimtelijke kwaliteit.

Alternatief voor klassieke Vlaamse wooncultuur

Claessens beseft tegelijk dat het model botst met diepgewortelde Vlaamse woonreflexen. In de ambitienota schrijft ze dat “het coöperatieve model haaks staat op de dominante Vlaamse wooncultuur, waarin het verwerven van de eigen woning nog steeds de norm is”. Toch wijst ze erop dat wooncoöperaties in andere landen, “met name Zwitserland”, al lang een volwaardig onderdeel vormen van het woonlandschap. Ook de beeldkeuze in de publicatie onderstreept die interesse: tussen de referentieprojecten is onder meer de bekende wooncoöperatie La Borda in Barcelona opgenomen.

Met de aangekondigde pilootprojecten wil Claessens nu onderzoeken “onder welke juridische, financiële en ruimtelijke voorwaarden ‘wonen aan kostprijs’ ook in Vlaanderen structureel kan worden verankerd”. Daarmee kiest ze voor een opvallend expliciete positionering binnen het woondebat. Waar in Vlaanderen collectieve woonvormen meestal worden besproken vanuit architectuur of gedeelde voorzieningen, schuift Claessens ook de organisatie van eigendom, grond en woonproductie zelf naar voren als ontwerpopgave. Coöperatief wonen wordt in Publiek Project daardoor niet voorgesteld als niche of experiment, maar als een mogelijk onderdeel van een breder toekomstig woonbeleid.