450.000 extra woningen heeft Vlaanderen nodig tegen 2050 om elk gezin een dak boven het hoofd te geven. Hoe houden we wonen betaalbaar in een context van stijgende bouwkosten en schaarse ruimte? Die vraag stond centraal in het Living Lab Hybride Wonen, een driejarig traject van o.a. VITO, Van Roey, Architectuurwijzer, Symbiosis, Deloitte, Endeavour, Wooncoop, archipelago, IGEMO en Evelien Pieters. Samen onderzochten zij hoe hybride woonmodellen – met de wooncoöperatie als focus – structureel kunnen bijdragen aan betaalbaar wonen in Vlaanderen.
Het Living Lab werkte rond vijf hefbomen die de betaalbaarheid van coöperatieve woonprojecten bepalen: geld, gebruiker, grond, gebouw en governance. In evenveel ‘labo’s’ werden knelpunten en kansen scherp gesteld, telkens vertrekkend vanuit een concreet financieel en juridisch kader. De centrale conclusie: coöperatief wonen kan opschalen, maar alleen als het model beleidsmatig wordt verankerd én professioneel wordt uitgebouwd. Dat vertaalt zich in zeven gerichte aanbevelingen voor overheid en marktpartijen.
Erkenning en gelijk speelveld
Een eerste prioriteit is de erkenning van de wooncoöperatie als volwaardige woonactor. Hoewel het model juridisch verankerd is in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, ontbreekt vandaag een duidelijke plaats binnen het Vlaamse woonbeleid. Die erkenning is cruciaal om vertrouwen te creëren bij banken, investeerders en lokale besturen. Ze vormt ook de basis voor aangepaste instrumenten en regelgeving die collectief eigenaarschap ondersteunen.
Daarnaast vraagt het Living Lab een gelijk speelveld met klassieke koop- en huurmodellen. Dat betekent onder meer gelijke fiscale behandeling, toegang tot aangepaste leningen en de ontwikkeling van modelstatuten en financiële sjablonen. Ook een koepelorganisatie en een sterkere rol voor intercommunales kunnen de professionalisering en schaalvergroting ondersteunen. Zonder structurele aanpassingen blijft hybride wonen afhankelijk van goodwill en pionierswerk.
Van project tot systeem
Op projectniveau pleit het Living Lab voor een evolutie van vraaggestuurd naar meer aanbodgestuurd ontwikkelen. Bewoners blijken vaak tevreden met een sleutel-op-de-deur-aanpak, terwijl standaardisatie, compactheid en gedeelde voorzieningen de kostprijs drukken. Wooncoöperaties kunnen daarbij samenwerken met projectontwikkelaars of zelf ontwikkelcapaciteit opbouwen. Beide pistes hebben hun eigen risico- en kostenprofiel, maar verhogen de schaalbaarheid van het model.
Tot slot schuift het rapport twee structurele hefbomen naar voren: een gronden- en pandenbank voor niet-speculatieve woonprojecten en een rollend woonfonds met achtergestelde leningen in de opstartfase. Beide instrumenten moeten de toegang tot grond en kapitaal verbeteren zonder de betaalbaarheid uit het oog te verliezen. Samen met een focus op Total Cost of Ownership – waarbij ontwerpkeuzes en circulaire principes de levensduurkost verlagen – schetsen ze een concreet pad om hybride wonen duurzaam te verankeren in Vlaanderen.
Meer lezen over de aanbevelingen van het Living Lab Hybride Wonen? Klik dan hier.
